Teksten
De Yoga-Soetras van Patanjali
De yoga-soetras van Patanjali vormen het hart van het gedachtegoed van de yogatraditie. In 196 kernachtige zinnen wordt uiteengezet wat het pad van yoga is. Omdat de woorden gecondenseerd zijn tot het weergeven van de essentie, is iedere soetra of elk aforisme een boek op zich. De soetras kunnen bijna niet begrepen worden zonder toelichting. Toch geef ik ze zo weer, omdat het kauwen op de strofen zo mooi kan oprakelen wat je eigenlijk al weet, of een ander licht werpt op wat je denkt te weten. De yoga-soetras zijn de vrucht van een eeuwenoude traditie van kijken, van objectief zien wat hoe ons binnenste zich gedraagt en wat daarin mogelijk is. Het geldt als een van heldere en doorwrochte geschriften in ‘s mensens geschiedenis, waar het zijn geestelijke ontwikkeling aangaat.
Zoals het een goed bereide en rijke dis betaamt, is het raadzaam deze spijs langzaam en met mate te nuttigen. Opdat de heerlijkheid niet verloren raakt en de smaak je niet gaat tegenstaan.
I
Integratie
1. Nu, het onderricht van yoga.
2. Yoga is het tot stilstand brengen van de patroonvorming van het bewustzijn.
3. Dan kan zuiver gewaarzijn verblijven in zijn ware aard.
4. In andere gevallen vereenzelvigt het gewaarzijn zich met de patroonvormingen van het bewustzijn.
5. Er zijn vijf soorten patroonvorming, waaronder zowel schadelijke als heilzame.
6. Zij zijn juiste perceptie, onjuiste perceptie, verbeelding, diepe slaap en herinnering.
7. Juiste perceptie komt voort uit directe waarneming, gevolgtrekking, of het woord van anderen.
8. Onjuiste perceptie is onjuiste kennis, niet gebaseerd op wat feitelijk is.
9. Verbeelding is gebaseerd op linguistische kennis, niet op contact met werkelijke dingen.
10. Diepe slaap is een patroonvorming op grond van de perceptie dat niets bestaat.
11. Herinnering is het vasthouden van ervaringen.
12. Zowel beoefening als niet-reageren zijn vereist om de patroonvorming van het bewustzijn te verstillen.
13. Beoefening is de voortdurende inspanning om in die verstilling te verblijven.
14. Deze beoefening raakt stevig geworteld als men haar voor lange tijd kundig en aanhoudend cultiveert.
15. De staat van niet-reageren is te herkennen als volledig bereikt wanneer er bij niets, niet bij het direct waargenomene en niet bij dat wat vernomen wordt, gehechtheid optreedt.
16. Wanneer het hoogste niveau van niet-reageren is bereikt, kan het zuivere gewaarzijn zichzelf helder zien als onafhankelijk van de elementaire bestanddelen van de natuur.
17. Aanvankelijk wordt het verstillingsproces begeleid door vier vormen van kennen: analytisch denken, inzicht, zaligheid en ik-besef.
18. Later, als men standvastig oefent om alle denken tot stilstand te brengen, vallen deze vier vormen van kennen weg en blijft alleen een reservoir van latente indrukken achter in het dieptegeheugen.
19. Deze latente indrukken zetten aan tot wedergeboorte, nadat men het lichaam bij het sterven verlaat en het oplost in de natuur.
20. Voor alle anderen vormen vertrouwen, energie, oplettendheid, integratie en wijsheid het pad naar verwerkelijking.
21. Voor hen die met heel hun hart bevrijding nastreven, is verwerkelijking nabij.
22. Hoe nabij hangt af van de vraag of de beoefening licht, middelmatig of intens is.
23. Verwerkelijking kan ook bereikt worden wanneer men zich richt op het ideaal van zuiver gewaarzijn, isvara.
24. Isvara is een onderscheiden, onaantastbare vorm van zuiver gewaarzijn, volkomen onafhankelijk van oorzaak en gevolg en vrij van enige opslag van latente indrukken.
25. In zijn onafhankelijkheid is dit gewaarzijn een onvergelijkbare bron van alwetendheid.
26. Zijn bestaan voorbij tijd maakte isvara tevens het ideaal van de ouden.
27. Isvara wordt aangeduid door een geluid, om.
28. Door herhaling wordt zijn betekenis helder.
29. Zo komt verinnerlijking tot wasdom en vallen obstakels weg.
30. Ziekte, apathie, achteloosheid, luiheid, seksuele mateloosheid, begoocheling, gebrek aan vooruitgang en wisselvalligheid zijn allemaal afleidingen die, door het bewustzijn in beroering te brengen, obstakels vormen voor verstilling.
31. Wanneer dit gebeurt, kan men rusteloosheid, neerslachtigheid of het onvermogen tot standvastigheid van houding of ademhaling ervaren.
32. Men kan deze afleidingen overwinnen door te werken met een van de volgende grondbeginselen van beoefening.
33. Het bewustzijn komt tot rust wanneer men vriendelijkheid, mededogen, welbehagen en gelijkmoedigheid uitstraalt naar alle dingen, of deze nu aangenaam zijn of pijnlijk, goed dan wel slecht.
34. Of door te pauzeren na een in- of uitademing.
35. Of door aanhoudend waar te nemen hoe nieuwe sensaties vorm aannemen.
36. Of tijdens het ervaren van gedachten die helder en vrij van zorgen zijn.
37. Of door zich te richten op dingen die niet aanzetten tot gehechtheid.
38. Of door het overdenken van inzichten vrijgekomen uit slaap en dromen.
39. Of door meditatieve absorptie in elk gewenst object.
40. Men kan volkomen geabsorbeerd raken in elk object, zowel immens groot als oneindig klein.
41. Wanneer de patroonvorming van het bewustzijn afneemt, raakt het bewustzijn doortrokken van een transparante wijze van zien, versmelting genoemd. Als een juweel weerkaatst het onvervormd wat het voor zich heeft,of dit nu een subject, object of een wijze van perceptie is.
42. Zolang de conceptuele of linguistische kennis deze transparantie doordringt, wordt dit versmelting met denken genoemd.
43. In het volgende stadium, genaamd versmelting voorbij het denken, worden objecten niet langer gekleurd door herinnering; nu vormloos, schijnt alleen hun essentiele aard door.
44. Op dezelfde wijze wordt versmeltende contemplatie van subtiele objecten beschreven als reflectief of vrij van reflectie.
45. Subtiele objecten kunnen teruggevoerd worden tot hun oorsprong in de ongedifferentieerde natuur.
46. Deze vier vormen van versmeltende contemplatie, met denken, voorbij denken, reflectief, vrij van reflectie, noemt men integratie die zaden draagt van latente indrukken.
47. In de helderheid van versmeltende, reflectievrije contemplatie wordt de aard van het zelf duidelijk.
48. De wijsheid die vrijkomt in die helderheid is onfeilbaar.
49. Anders dan inzicht verkregen door gevolgtrekking of onderricht, heeft deze wijsheid als zijn object het feitelijke onderscheid tussen zuiver gewaarzijn en bewustzijn.
50. Het wekt latente indrukken die de activering van andere indrukken voorkomen.
51. Wanneer zelfs deze ophouden te verschijnen en de patroonvorming van het bewustzijn volledig tot stilstand is gebracht, draagt integratie geen verder zaad.
2
Het pad naar verwerkelijking
1. De yogische handeling heeft drie bestanddelen: discipline, zelfstudie en gerichtheid op het ideaal van zuiver gewaarzijn.
2. De doelen ervan zijn het wegnemen van de oorzaken van het lijden en het bereiken van integratie.
3. De oorzaken van lijden zijn het niet zien van de dingen zoals ze zijn, ik-besef, gehechtheid, afkeer en het vastklampen aan het leven.
4. Het niet zien van de dingen zoals ze zijn is het veld waar de andere oorzaken van lijden ontspruiten, of deze nu sluimerend, werkzaam, ondervangen of verzwakt zijn.
5. Verstoken van deze wijsheid, houdt men dat wat vergankelijk, onzuiver, lijden brengend of zonder zelf is voor onvergankelijkheid, zuiverheid, geluk en zelf.
6. Het ik-besef kent zelfheid toe aan zuiver gewaarzijn door het te vereenzelvigen met de zintuigen.
7. Gehechtheid is een overblijfsel van een aangename ervaring.
8. Afkeer is een overblijfsel van lijden.
9. Vastklampen aan het leven is instinctief en zichzelf bestendigend, zelfs voor de wijze.
10. In hun subtiele vorm worden deze oorzaken van lijden bedwongen door te zien waar ze vandaan komen.
11. In hun grove vorm, als bewustzijnpatronen, worden zij bedwongen door meditatieve absorptie.
12. De oorzaken van lijden vormen de oorspronkelijke bron van handelen; iedere handeling legt diep in de geest latente indrukken neer, die later in dit leven werkzaam en ervaren worden of zich in het verborgene ophouden, in afwachting van een toekomstige geboorte.
13. Zolang deze oorspronkelijke bron bestaat, zullen zijn inhouden rijpen in een geboorte, een leven en ervaring.
14.Dit leven zal getekend zijn door verrukking en afschuw, in overeenstemming met die goede en slechte handelingen die zijn reservoir van latente indrukken gevormd hebben.
15. De wijze ziet lijden in elke ervaring, of deze voortkomt uit de afschuw van vergankelijkheid of uit latente indrukken doordrenkt met lijden of uit het onophoudelijke strijd waarin de fundamentele eigenschappen van de natuur wedijveren om hegemonie.
16. Maar lijden dat nog niet is opgekomen kan worden voorkomen.
17. De afwendbare oorzaak van al dit lijden is de ogenschijnlijke onscheidbaarheid van het zuivere gewaarzijn en dat wat het aanschouwt.
18. Wat het gewaarzijn aanschouwt, namelijk de wereld van verschijnselen, behelst de eigenschappen van helderheid, beweeglijkheid en inertie; het omvat de persoon, samengesteld uit zowel de elementen als de zintuigen; en het is de basis voor zowel zintuiglijke ervaring als bevrijding.
19. Alle categorieen van zijn, ongedifferentieerd, gedifferentieerd, onbepaald en bepaald, zijn manifestaties van de fundamentele eigenschappenen van de natuur.
20. Zuiver gewaarzijn ziet slechts zichzelf; hoewel zuiver, lijkt het werkzaam door middel van de waarnemende geest.
21. In essentie bestaat de wereld van verschijnselen om deze waarheid te openbaren.
22. Wanneer dat eenmaal gebeurt, verschijnt de wereld van verschijnselen niet langer als zodanig, hoewel het blijft bestaan als een gemeenschappelijke werkelijkheid voor alle anderen.
23. Het is op grond van de ogenschijnlijke onscheidbaarheid van het gewaarzijn en de wereld van verschijnselen dat de laatste de vermogens van de eerste lijkt te bezitten.
24. Het niet zien van de dingen zoals ze zijn is de oorzaak van dit verschijnsel.
25. Met verwerkelijking verdwijnt de verschijning van de onscheidbaarheid en openbaart zich dat gewaarzijn vrij is en onaangeroerd door verschijnselen.
26. De ogenschijnlijke onscheidbaarheid van het zien en het geziene kan worden vernietigd door het cultiveren van ononderbroken onderscheiding tussen gewaarzijn en wat het aanschouwt.
27. Op het hoogste niveau van onderscheiding breidt wijsheid zich uit naar alle zeven aspecten van de natuur.
28. Wanneer de bestanddelen van yoga beoefend worden, nemen onzuiverheden af; dan kan het licht van begrijpen schijnen en de weg naar onderscheidend gewaarzijn verhelderen.
29. De acht bestanddelen van yoga zijn externe discipline, interne discipline, houding, regulering van de adem, concentratie, meditatieve absorptie en integratie.
30. De vijf externe disciplines zijn geen schade toebrengen, waarheidsliefde, niet stelen, onthouding en niet hebzuchtig zijn.
31. Deze universalia, die geboorte, plaats, tijd of omstandigheid overstijgen, vormen de grote gelofte van yoga.
32. De vijf interne disciplines zijn lichamelijke reiniging, tevredenheid, vurige discipline, zelfstudie en toewijding aan het ideaal van yoga.
33. Niet heilzame gedachten kunnen geneutraliseerd worden door het cultiveren van heilzame.
34. Wijzelf kunnen handelend optreden tegen niet heilzame gedachten zoals het verlangen iemand schade toe te brengen, of dat we hen mogelijk veroorzaken of vergoelijken bij anderen. Niet heilzame gedachten kunnen opkomen uit begeerte, kwaadheid of begoocheling; ze kunnen licht, middelmatig of hevig zijn; maar ze houden nimmer op te rijpen tot onwetendheid en lijden. Dat is de reden waarom men heilzame gedachten moet cultiveren.
35. Stevig gegrondvest zijn in geweldloosheid schept een atmosfeer waarin anderen hun vijandigheid kunnen loslaten.
36. Voor hen gegrondvest in waarheidsliefde is elke handeling en zijn gevolgen doortrokken van waarheid.
37. Voor hen die vrij zijn van de aandrang tot stelen, is het werkelijk waardevolle ophanden.
38. Zij die zich onthouden verwerven vitaliteit.
39. Vrijheid van hebzucht ontsluit het ware doel van het bestaan.
40. Door lichamelijke zuivering houdt het lichaam op nog langer aanlokkelijk te zijn, evenzo in het contact met anderen.
41. Zuivering leidt tevens tot helderheid, geluk, concentratie, beheersing van de zintuigen en het vermogen tot zelfbewustzijn.
42. Tevredenheid geeft onovertroffen vreugde.
43. Daar vurige discipline de onzuiverheden opbrandt, worden het lichaam en de zintuigen uiterst verfijnd.
44. Zelfstudie verdiept de eenwording met de persoonlijke godheid.
45. Door gerichtheid op het ideaal van zuiver gewaarzijn kan men integratie bereiken.
46. De meditatiehoudingen behoren stabiliteit en gemak uit te drukken.
47. Dit gebeurt wanneer alle inspanning tot ontspanning komt en versmelting opkomt, en onthult dat het lichaam en het oneindige universum onscheidbaar zijn.
48. Dan word men niet langer verstoord door het spel van tegenstellingen.
49. Met het ontspannen van inspanning, kan de stroom van inademing en uitademing tot stilstand gebracht worden; dit wordt regulering van de adem genoemd.
50. In het waarnemen van de bewegingspatronen van iedere ademhaling, inademing, uitademing, adempauze, op duur, aantal en aandachtsgebied, wordt de ademhaling ruimtelijk en subtiel.
51. In het dagen van verwerkelijking valt het onderscheid tussen inademen en uitademen weg.
52. Dan wordt de sluier om de helderheid van de geest weggenomen.
53. En de geest is nu rijp voor concentratie.
54. Wanneer het bewustzijn verinnerlijkt door zich los te maken van externe objecten, doen de zintuigen dit evenzo; dit wordt terugtrekking van de zintuigen genoemd.
55. Dan staan de zintuigen volkomen ten dienste van verwerkelijking.
3
De buitengewone vermogens
1. Concentratie houdt de aandacht vast op een enkel gebied.
2. In meditatieve absorptie wordt de gehele perceptuele stroom verenigd met dat object.
3. Als alleen de wezenlijke aard van het object oplicht, als was het vormloos, is integratie opgekomen.
4. Concentratie, absorptie en integratie met betrekking tot een enkel object vormen de volmaakte discipline van het bewustzijn.
5. Als de volmaakte discipline van het bewustzijn wordt bemeesterd, daagt wijsheid.
6. Volmaakte discipline wordt in stadia bemeesterd.
7. Deze drie bestanddelen, concentratie, absorptie en integratie, kennen een hogere graad van verinnerlijking dan de voorafgaande vijf.
8. Zelfs deze drie zijn extern in relatie tot de integratie die geen zaad draagt.
9. De transformatie naar volkomen verstilling vindt plaats wanneer de latente indrukken die aanzetten tot beeindiging opkomen en zo het werkzaam worden van de afleidende opgeslagen indrukken voorkomen, en momenten van verstilling beginnen het bewustzijn te doordringen.
10. Deze latente indrukken helpen het bewustzijn van het een kalme moment over te gaan naar het volgende.
11. Het bewustzijn wordt getransformeerd naar integratie wanneer de afleidingen afnemen en concentratie opkomt.
12. Met andere woorden, het bewustzijn wordt getransformeerd naar concentratie wanneer de continuiteit tussen opkomende en verdwijnende percepties toeneemt.
13. Het bewustzijn ontwikkelt zich langs dezelfde drie lijnen, vorm, tijdspanne en omstandigheid, als de elementen en de zintuigen.
14. De onderliggende hoedanigheid blijft onveranderd, of het nu voor, gedurende of na het moment is dat het een specifieke vorm aangenomen heeft.
15. Deze transformaties lijken zich te ontvouwen op de wijze waarop ze dat doen omdat het bewustzijn een opeenvolging van onderscheiden patronen is.
16. Het waarnemen van deze drie spillen van verandering, vorm, tijdspanne en omstandigheid, met volmaakte discipline geeft inzicht in verleden en toekomst.
17. Woord, betekenis en perceptie neigen onder een noemer te worden gebracht, de een verward met de anderen; zich met volmaakte discipline richten op de onderscheidingen tussen hen geeft inzicht in de taal van alle wezens.
18. Het met volmaakte discipline direct waarnemen van latente indrukken geeft inzicht in vorige levens.
19. Zich met volmaakte discipline richten op de percepties van een ander geeft inzicht in het bewustzijn van die persoon.
20. Maar het geeft geen inzicht met betrekking tot het object van die percepties, aangezien het object zelf niet feitelijk aanwezig is in het bewustzijn van die persoon.
21. Wanneer de lichamelijke vorm met volmaakte discipline wordt waargenomen, wordt het onzichtbaar: het oog wordt losgemaakt van het binnenkomende licht, en het vermogen tot waarnemen wordt ingetrokken.
22. Evenzo kan men door volmaakte discipline andere zintuiglijke gewaarwordingen, geluid, geur, smaak, aanraking, doen verdwijnen.
23. De gevolgen van een handeling kunnen onmiddellijk of langzaam aanstaande zijn; het met volmaakte discipline waarnemen van zijn handelingen of het bestuderen van voortekenen geeft inzicht in de dood.
24. Door zich met volmaakte discipline te richten op vriendelijkheid, mededogen, verrukking en gelijkmoedigheid, raakt men doordrenkt van hun energieen.
25. Door zich met volmaakte discipline te richten op de krachten van een olifant of andere entiteiten, verwerft men die krachten.
26. Absorptie in het spel van de lichtheid van de geest geeft inzicht in dat wat subtiel, verborgen en ver weg is.
27. Zich met volmaakte discipline richten op de zon geeft inzicht in het universum.
28. Zich met volmaakte discipline richten op de maan geeft inzicht in de stand van de sterren.
29. Zich met volmaakte discipline richten op de poolster geeft inzicht in de bewegingen van de sterren.
30. Zich met volmaakte discipline richten op het energiecentrum van de navel geeft inzicht in de organisatie van het lichaam.
31. Zich met volmaakte discipline richten op de keelholte verwijdert honger en dorst.
32. Door zich met volmaakte discipline richten op het zg. schildpadkanaal, ontwikkelt men standvastigheid.
33. Door zich met volmaakte discipline te richten op het licht in de kroon van het hoofd, verwerft men het zicht van de volmaakten.
34. Of, al deze verworvenheden kunnen verwezenlijkt worden in een flits van spontane verlichting.
35. Door zich met volmaakte discipline te richten op het hart, doorgrondt men de aard van het bewustzijn.
36. Ervaring bestaat uit percepties waarin het lichte aspect van de wereld van verschijnselen verward wordt met volkomen zuiver gewaarzijn. Zich met volmaakte discipline richten op de verschillende hoedanigheden van elk van hen geeft inzicht in de aard van het zuivere gewaarzijn.
37. Volgend op dit inzicht kunnen de zintuigen, horen, voelen, zien, proeven, ruiken, mogelijk plotseling sterker worden.
38. Deze zintuiglijke vaardigheden voelen wellicht als verworvenheden, maar leiden af van integratie.
39. Door het ontspannen van zijn gehechtheid aan het lichaam en door in hoge mate gevoelig te worden voor zijn stromingen, kan het bewustzijn een ander lichaam binnengaan.
40. Door het bemeesteren van de energiestroom bij hoofd en nek, kan men over water, modder, doornen en andere obstakels lopen door hen niet te raken maar eerder over hen heen te zweven.
41. Door het bemeesteren van de energiestroom door de zonnevlecht, wordt men stralend.
42. Door zich met volmaakte discipline te richten op de wijze waarop geluid door de ether voortbeweegt, verwerft men goddelijk gehoor.
43. Door zich met volmaakte discipline te richten op de relatie van het lichaam met ether en door het ontwikkelen van versmelting op de lichtheid van katoen, kan men door de ruimte reizen.
44. Wanneer het bewustzijn zich volledig losmaakt van externe verschijnselen, de zg. grote bevrijding van het lichaam, wordt de sluier van de helderheid van het bewustzijn opgelicht.
45. Door de aspecten van materie, grof, subtiel, intrinsiek, relationeel, intentioneel, met volmaakte discipline waar te nemen, verwerft men meesterschap over de elementen.
46. Dan worden buitengewone vermogens manifest, waaronder het vermogen om te krimpen tot de grootte van een atoom, waarbij het lichaam volmaaktheid bereikt en de natuurwetten overstijgt.
47. Deze volmaaktheid behelst schoonheid, elegantie, kracht en de onwrikbaarheid van een diamant.
48. Door het met volmaakte discipline waarnemen van de verschillende aspecten van de zintuiglijke organen, hun proces van perceptie, intrinsieke aard, vereenzelviging als zelf, onderlinge verbondenheid, doelen, verkrijgt men meesterschap over hen.
49. Dan, bevrijd van de beperkingen van hun organen, worden de zintuigen, niet langer in de ban van de wereld van verschijnselen, gewaar met de snelheid van de geest.
50. Vanaf het moment dat men enkel het onderscheid ziet tussen zuiver gewaarzijn en het heldere aspect van de wereld van verschijnselen, worden alle omstandigheden gekend en bemeesterd.
51. Wanneer men zich onthecht zelfs van deze alwetendheid en dit meesterschap, worden de zaden van lijden weggevaagd en weet gewaarzijn dat het alleen staat.
52. Zelfs als de verhevenen wenken, moet men gehechtheid en trots vermijden, of lijden zal terugkeren.
53. Zich met volmaakte discipline richten op de opeenvolging van momenten in tijd geeft inzicht, ontstaan uit onderscheiding.
54. Dit inzicht geeft de mogelijkheid om de dingen van elkaar te scheiden, die eerder, door overeenkomst in oorsprong, hoedanigheid of plaats, gelijksoortig leken.
55. Op deze wijze deconstrueert onderscheidend inzicht alle objecten en omstandigheden van de wereld van verschijnselen, en scheidt hen van zuiver gewaarzijn.
56. Wanneer de lichtheid en transparantie van het bewustzijn in gelijke mate zijn uitgekristalliseerd als het zuivere gewaarzijn, kunnen ze de vrijheid van het gewaarzijn terug naar zichzelf weerspiegelen.
4
Vrijheid
1. De verworvenheden die door integratie teweeggebracht worden kunnen tevens opkomen bij geboorte, door het gebruik van kruiden, door recitatie of door ascese.
2. Het overgebracht worden in een nieuwe vorm geschiedt wanneer de natuurlijke krachten overvloeien.
3. De transformatie in deze of gene vorm worden niet bepaald door de oorzaken in de onmiddellijke nabijheid, maar slechts door hen gestuurd, zoals een boer een waterstroom omleidt voor irrigatie.
4. Zich voelen als een zelf is het kader dat het bewustzijn richt op individualisering.
5. Een opeenvolging van toestanden van bewustzijn, waarbij een enorme hoeveelheid van onderscheiden percepties voortgebracht wordt, lijkt zich te bestendigen in een individueel bewustzijn.
6. Wanneer bewustzijn eenmaal is gefixeerd in meditatieve absorptie, draagt het niet langer bij tot het reservoir van latente indrukken.
7. De handelingen van een gerealiseerd yogi overstijgen goed en kwaad, terwijl de handelingen van anderen goed of kwaad of beide in zich kunnen dragen.
8. Elke handeling komt tot rijping door de kleuring van latente indrukken, overeenkomstig zijn karakter van goed, kwaad, of beide.
9. Omdat het dieptegeheugen en diens latente indrukken een geheel vormen, verkeert hun dynamiek van oorzaak en gevolg in voortdurende stroming, niet gehinderd door de begrenzingen van geboorte, plaats en tijd.
10. Zij hebben altijd bestaan, daar de wil tot bestaan eeuwig is.
11. Daar zijn oorzaak, gevolg, basis en object onscheidbaar zijn, verdwijnt een latente indruk als zij dat doen.
12. Het verleden en de toekomst zijn immanent in een object, en bestaan als verschillende sectoren in dezelfde stroom van vormen van ervaring.
13. De karakteristiek van deze sectoren, of deze nu manifest of subtiel zijn, wordt toebedeeld door de fundamentele hoedanigheden van de natuur.
14. Deze transformaties hebben de neiging zich met elkaar te vermengen, waarbij ze elk nieuw object doorgeven met de kwaliteit van soliditeit.
15. Mensen ervaren hetzelfde object op verschillende manieren, daar de waarneming van iedere persoon een eigen pad volgt, gescheiden van dat van een ander.
16. Maar het object is niet afhankelijk van welke van deze vormen van waarneming ook; als dit wel zo was, wat zou er dan mee gebeuren als niemand het zag?
17. Een object wordt enkel gekend door een bewustzijn waarmee het in aanraking is gekomen; anderszins wordt het niet gekend.
18. Patronen van bewustzijn worden altijd gekend door zuiver gewaarzijn, hun uiteindelijke, onveranderlijke getuige.
19. Bewustzijn wordt niet gezien door zijn eigen licht maar door gewaarzijn.
20. Bovendien kan bewustzijn en zijn object niet in een moment gezien worden.
21. Wanneer bewustzijn door zichzelf waargenomen zou worden in plaats van door gewaarzijn, zou de keten van zulke waarnemingen tot in het oneindige teruggaan en het geheugen doen imploderen.
22. Waneer het echter verstild is, gaat bewustzijn gelijkenis vertonen met onveranderlijk gewaarzijn en kan het zich als waargenomen weerspiegelen.
23. Dan kan bewustzijn gekleurd worden door zowel gewaarzijn als de wereld van verschijnselen, en vervult het alle doelen die het zijn toebedeeld.
24. Hoewel bewustzijn gekleurd wordt door talloze gewoonten en geneigdheden heeft het, net als alle andere samengestelde verschijnselen, een ander doel: ten dienste staan van gewaarzijn.
25. Op het moment dat men onderscheid kan maken tussen bewustzijn en gewaarzijn stopt het aanhoudende construeren van bouwwerk van het zelf.
26. Bewustzijn, wat nu gericht is op dit onderscheid, kan nu koersen naar vrijheid, de volledig ge�ntegreerde kennis dat gewaarzijn onafhankelijk is van natuur.
27. Eventuele leemten in het onderscheiden van gewaarzijn geven baan aan afleidende gedachten afkomstig van het reservoir van latente indrukken.
28. Deze afleidingen kunnen worden bedwongen, zoals dat ook voor de oorzaken van het lijden gold, door hen terug te voeren naar hun oorsprong, of door meditatieve absorptie.
29. Wanneer men zelfs de meest geexalteerde staten met onverschilligheid beziet, en men voortdurend onderscheid blijft maken tussen gewaarzijn en de wereld van verschijnselen, betreedt men het laatste stadium van integratie, waarin de natuur gezien wordt als een wolk van onherleidbare ervaringsvormen.
30. Deze realisatie maakt een einde aan zowel de oorzaken van lijden als aan de cyclus van oorzaak en gevolg.
31. Wanneer eenmaal alle lagen en onzuiverheden die de waarheid verhullen zijn weggenomen, wordt inzicht grenzeloos en ontgaat het nauwelijks iets.
32. Dan zal de ogenschijnlijk consistente stroom van werkelijkheid, met zijn door de fundamentele hoedanigheden gekleurde transformaties, uiteen gaan vallen en daarmee vervult bewustzijn zijn eigenlijke taak.
33. Men gaat zien dat de stroom in werkelijkheid een reeks afzonderlijke gebeurtenissen is, waarvan elk correspondeert met de kleinste fractie van tijd, waarin een vorm verandert in een andere.
34. Vrijheid is op handen wanneer de fundamentele hoedanigheden van natuur, en elke van diens transformaties waargenomen op hun aanvangsmoment, herkend worden als zijnde van generlei betekenis voor zuiver gewaarzijn; het staat alleen, gegrond is zijn eigen natuur, het vermogen van zuiver zien. Dat is alles.